Het moet niet te makkelijk zijn om de grens over te steken
Terwijl ik op dit eiland mijn werkzaamheden uitvoer, pendel ik vrijwel dagelijks op en neer tussen twee landen. Strikt gezien nog binnen de Europese Unie ook, Cyprus is immers toegetreden tot de EU. Toch moet ik elke keer als ik van het zuiden naar het noorden wil een visum aanvragen. Jazeker, een visum. De Grieken doen niet zo moeilijk: je laat je paspoort zien, je lacht vriendelijk en een agent geeft je een ongeïnteresseerde knik. Van de Turkse Cyprioten worden de documenten wel even nagekeken, maar ook dat is vrij snel geregeld.
Andersom is het echter een heel gedoe. Eerst steek je het stuk niemandsland over tussen de twee gebiedsdelen. Omdat die strook van een tiental meters breed bijna volledig uit kapotgeschoten gebouwen bestaat, zijn er schermen en doeken voor geplaatst. In de verte doemen Turkse vlaggen op en de minaretten van een moskee. Agenten hangen rond, bijna even ongeïnteresseerd als aan de andere kant. Alleen wanneer ik bij de zoveelste passage besluit het fotografeerverbod eens uit te testen, reageert een Turkse politieman zowaar geprikkeld.
Voor je verder mag lopen dus eerst de visumaanvraag. Daarvoor hebben de autoriteiten volgens goed Oost-Europees gebruik een rij hokjes, chagrijnige beambten, papieren en stempels voor je klaargezet. Waarom zou je iets makkelijk doen als het ook moeilijk kan? Je vult je naam en je paspoortnummer in, wacht op een stempel en voilà. Oh wacht, nog een stempel. En een handtekening van de beambte. Men wil het de Griekse Cyprioten niet te makkelijk maken om over te steken. En de Turkse Cyprioten evenmin, want zij moeten papieren invullen als ze het noorden verlaten.
Je geduld wordt wel beloond. Het noordelijk deel van Nicosia is mooier en historischer dan het zuiden (klik de foto’s links aan voor een impressie). Maar hoe noem je dit gebied? ‘Welkom in de Turkse Republiek Noord-Cyprus’, staat er op een bord. Maar die republiek wordt alleen door Turkije erkend. Voor de rest van de wereld is dit ‘door Turkije bezet gebied’. Menig Turkse Cyprioot zal bij het woord ‘bezetting’ echter opveren: Ho even, Turkije kwam de Cyprioten in 1974 te hulp op grond van internationale verdragen die daartoe de ruimte boden.
Er is één krant in het noorden die meet af aan erkent dat dit Turkse offensief een invasie was,
de republiek een bezetting en het bevolken van Noord-Cyprus met Turkse migranten een schending van het volken- en het oorlogsrecht. Europa, heette die krant. Heette, want de naam werd verboden. De blik van Noord-Cyprus moest niet op Europa maar op het moederland zijn gericht, vonden de Turken. Daar liet hoofdredacteur Şener Levent zich echter niet door uit het veld slaan, evenmin als door de twee bomaanslagen die de redactie ruim tien jaar geleden te verwerken kreeg. De krant kreeg de naam van een ander continent, Afrika, en lezers kwamen met computers en bureaustoelen op de proppen om de krant draaiende te houden.
Şener Levent is een vriendelijke, gedreven journalist. Zittend achter zijn met kranten en andere paperassen volgestapelde bureau weet hij zijn antwoorden zo scherp en bondig te formuleren dat hij meestal precies is uitgepraat wanneer hij toe is aan een nieuwe trek van zijn sigaret. Levent is een hardliner, een idealistische communist die zegt waar het op staat: Turkije moet wegwezen en Cyprus weer één eiland waar Grieken en Turken vreedzaam samenleven. Zo scherp durven zelfs veel Griekse Cyprioten het niet te stellen.






Reageer