Dipkarpaz had een bioscoop

Het dorpje Dipkarpaz (Grieks: Diskarpasso),
in het uiterste noorden van Cyprus, had een heuse bioscoop. Het was de eerste cinema in een dorp, zegt een passant. Van Cyprus of van Europa, dat doet er even niet toe. Er was een bioscoop. Een idee van Marissa Bolivia (78) en haar drie jaar geleden overleden man. De projector importeerden ze uit Louisiana, zegt de oude vrouw, terwijl ze mijn arm vastpakt en me rond het vervallen complex leidt.’s Zomers werden de films in de buitenlucht getoond, ’s winters binnen. Maar naar binnen kunnen we niet; in 1974 zijn de Turken gekomen en die hebben de boel afgesloten. Met haar wandelstok wijst ze naar de kettingen om de hekken.

Mevrouw Bolivia wordt steeds emotioneler en gaat ook steeds luider spreken. “Kijk nou toch hoe die Turken er een rotzooi van hebben gemaakt! Het is helemaal vervallen.” Twee nieuwsgierige Turkse jongens zijn komen kijken wat dat oude vrouwtje toch voor drukte staat te maken. “Jullie hebben de boel hier ingepikt. Kijk, dit gebouw staat op mijn grond!”, schreeuwt Bolivia hen toe. De tranen staan in haar ogen, haar stem slaat over. De jongens blijven verbouwereerd achter.

Ik ben met een konvooi van de Verenigde Naties afgereisd naar de regio Karpaz, een schiereiland dat als aan voelspriet aan het noorden van Cyprus vastzit. We zijn dus in Turks gebied, maar er is hier een Griekse gemeenschap achtergebleven. Simpelweg omdat ze weigerden te vertrekken toen de Turken het eiland in 1974 binnenvielen. De militairen hebben hen nooit verjaagd omdat ze Cyprus ten zuiden van dit schiereiland binnenvielen en van daaruit zuidwaarts trokken.

Van de 20.000 achtergebleven Griekse Cyprioten is 34 jaar later nog maar een fractie over. De meesten hebben eieren voor hun geld gekozen: de Turken maakten hun het leven zuur door de toegang tot bijvoorbeeld ziekenzorg en financiën te ontzeggen of te bemoeilijken. Familiebezoek was nauwelijks mogelijk en driemaal per dag moesten de Grieken zich op het politiebureau melden. De Grieks-Cypriotische regering besloot haar enclavebewoners te helpen en stuurt voedsel, geld en geestelijk verzorgers naar de voornamelijk oude bewoners. De VN treden op als transporteur, omdat de Griekse autoriteiten het gebied niet in komen.

Dat er in Dipkarpaz nog een Griekse gemeenschap woont, is al van afstand te herkennen: er staat nog een kruis op de toren van de Grieks-orthodoxe kerk. Bij het gros van de nog overgebleven kerken – een groot deel is verwoest – is dat er vanaf gesloopt. Hier staat de kerk nog te pronken, maar het oog wordt weggetrokken door de blinkend witte moskee die er pal naast is verrezen.

Toch leven de bewoners in dit dorp naar eigen zeggen probleemloos naast elkaar. Niets aan het handje, zegt een oude Turkse Cyprioot die een bakje koffie doen in het koffiehuis waar de Griekse gemeenschap in groten getale naartoe is gekomen om de door VN meegenomen cheques in ontvangst te nemen. Dipkarpaz leeft in een bizarre status-quo, zoals heel Cyprus dat eigenlijk al ruim dertig jaar doet.

De stokoude en moeilijk lopende Marissa Bolivia is nog harder gaan praten. Elke zin staat bol van de frustratie. “Zie je?”, zegt ze wijzend naar het kruideniertje tegenover haar huis, “allemaal gebouwd door die migranten uit Turkije”. Turkia. Ze zegt het alsof ze net een slok gif uitspuugt. Weggaan zal ze hier nooit, zegt ze. Waarom zou ze? Dit was van oudsher een Grieks dorp. Ze heeft er inmiddels foto’s van haar kinderen en kleinkinderen bij gepakt. Haar vochtige ogen lichten even op wanneer ze zegt dat haar zoon en dochter elke dag bellen. Om daarna te verzuchten dat ze hier geen leven heeft. De groeven van haar gelaat zijn nog dieper geworden. Haar grote, heldere, blauwe ogen zijn voor even de cinema van haar leven. Dipkarpaz had een bioscoop.

Klik op de foto’s voor een vergroting!

~ door vanonzecorrespondent op 6 juni, 2008.

Reageer